0
Stephen Baxter – Space
“Waar zijn ze dan?” is in een notedop de stelling die bekend staat als de Fermiparadox. Uitgaande van de leeftijd van het universum en de ontelbare hoeveelheid sterren die leven mogelijk maken zouden er talloze bewijzen moeten zijn van buitenaardse activiteit. Maar waarom is daar niks van te vinden? Stephen Baxter pakt dat uitgangspunt en geeft hier een verlammend enge twist aan. Wat blijkt? Er is leven in het universum, en het komt onze kant op. En hier moeten we heel, heel bang voor zijn.
Baxter’s eerste boek uit de Manifold trilogie heette Time, en gaf een kijkje in een toekomst waarin er géén leven naast ons bestaat. Het universum is een dode, kille plaats die door entropie steeds killer wordt en waarin de mens steeds extremere stappen moet ondernemen om te kunnen blijven bestaan. Time overrompelde me volledig door een ongekend sterke mix van geloofwaardige wetenschap met een fascinerend verhaal. Baxter’s schrijfstijl was bijzonder prettig, de behandelde wetenschap-stuff was te behappen en elke emotionele klap kwam prima aan. Maar dat was uiteindelijk maar een voorproefje; met het in 2001 uitgebrachte Space wordt een verhaal afgeleverd dat zo krankzinnig goed in elkaar steekt dat ik er stil van word.
In principe is Space een vervolg op Time, maar tegelijk kunnen ze ook prima los van elkaar worden gezien. Beide boeken behandelen namelijk een andere mogelijke toekomst, een ‘What if…’ scenario waarbij toevallig een aantal dezelfde personages een rol spelen. Nou ja, de personages die je uit Time kent zijn hier toch subtiel anders. Zo is hoofdpersoon Reid Malenfant nu een man die zijn droom over kolonisatie van de ruimte langzaam in duigen zag vallen nadat zijn vrouw kwam te overlijden en er iets in hem brak. Nu is hij irrelevant geworden, een curiositeit die voor altijd geassocieerd lijkt te zijn met ‘net niet’. Totdat de Japanse jongedame Nemoto in 2020 signalen ontdekt die maar één ding kunnen betekenen; er is iemand in onze asteroïdengordel bezig met het verzamelen van resources. Aliens staan aan onze voordeur, maar wat willen ze van ons?
Het wordt allemaal wat creepier als blijkt dat deze aliens eigenlijk Von Neumann machines zijn; zichzelf kopiërende mechanische constructies die door de mensheid de Gaijin worden genoemd. Er ontstaat een moeizame vorm van communicatie en uitwisseling van technologie voor gunsten. De Gaijin lijken op zoek te zijn naar iets, maar niemand wordt echt veel wijzer van ze. Ondertussen is de menselijke drive naar het ontwikkelen van wetenschap en exploratie van de ruimte compleet ingekakt. Niemand wil geld stoppen in grootschalige projecten wanneer een geavanceerdere partij zich letterlijk in een baan om de Aarde heeft geparkeerd. De Gaijin staan het soms toe om mensen mee te nemen naar bepaalde planeten in het zonnestelsel, maar Venus lijkt off-limits te zijn en niemand weet waarom. Nemoto vertrouwt het voor geen meter en als het haar lukt om iemand richting Venus te sturen om daar informatie te vergaren, blijkt dat dit ooit een springlevende wereld was die door onbekenden gereduceerd werd tot de ruïne die we vandaag de dag kennen.
‘…If this happened once, it must have happened again and again,’ whispered Nemoto. ‘A wave of colonists come to a solar system like ours. They take what they want, ruinously mining out the resources, trashing what remains. And then they move on… or are somehow stopped. And then, later, when the planets have begun to heal, others follow, and the process begins again. Over and over.
‘I predict we will find this everywhere. We can’t assume that anything in the solar system is truly primordial. We don’t yet know how to look, and the scars will be buried deep in time. But here, it is unmistakable, the mark of their wasteful carelessness…’
Hoofdpersoon Malenfant is op dit punt zelf ook op een andere manier informatie aan het verzamelen, en ontdekt hetzelfde als Nemoto. Het universum is een plaats waar leven overal de kop opsteekt, maar het net zo makkelijk van de kaart kan worden geveegd. Een zinloze cyclus van leven en complete vernietiging lijkt de enige constante te zijn.
Everwhere, he had learned, life had emerged. But every world, every system, had been overrun by waves of colonization, followed by collapse or destructive wars – not once, but many times. Everywhere the sky was full of engineering, of ruins.
And the bad news continued. The universe itself could prove a deadly place. He was taken through a region a hundred light years wide where world after world was dead, land and oceans littered with the diverse remains of separately-evolved life.
There had been a gamma ray burster explosion here, the Gaijin told him: the collision of two neutron stars, causing a three-dimensional shower of high-energy electromagnetic radiation and heavy particles that had wiped clean the worlds for light years around. It had been a random cosmic accident that had cared nothing for culture and ambition, hope and love and dreams. Some life survived – on Earth, the deep-ocean forms, perhaps pond life, some insects would have endured the lethal showers. But nothing advanced made it through, and certainly nothing approaching sentience; after the accident, its effects over in weeks or months, it would require a hundred million years of patient evolution to fix the rent in life’s fabric suffered in this place.
Space maakt indruk door de schaal waarop gebeurtenissen zich ontvouwen. Het boek bestrijkt een bijzonder lange periode, waarin bepaalde personages die tripjes door de ruimte maken dankzij de time-delay bij terugkomst merken dat er tientallen jaren zijn verstreken. Met elke uitstap schiet de Aarde weer een hoop jaren verder, steeds verder veranderend in iets wat niet meer als een thuis te herkennen is. Daar komt ook nog eens bij kijken dat het proces waarmee de Gaijin door de ruimte springen een licht beschadigend effect heeft op mensen. Na een tijdje voel je je vaag disconnected van alles om je heen, iets wat de melancholie waar het boek werkelijk van doordrenkt is alleen maar in de hand werkt. Het universum verkennen klinkt misschien interessant, maar na jouw vertrek zul je nooit meer echt thuis kunnen komen.
Een nadeel van de grote sprongen die we als lezer (mee)maken in de tijd is dat het moeilijker is om heel erg gehecht te raken aan de setting. Alles is toch zo vergankelijk en we brengen nooit al te veel tijd door in één periode. Het kan wat desoriënterend zijn om steeds vooruit te blijven hollen, op eenzelfde manier als het voor de meeste personages zal moeten voelen. Zeker als we in het jaar 3000 en verder aankomen en de Aarde en maan haast onherkenbaar zijn geworden. Voor de ene lezer zal het te ongeloofwaardig voelen, ik kon er geen genoeg van krijgen.
Het enge van de grote sprongen door de tijd is dat duidelijk wordt hoe fragiel de human spirit eigenlijk wel niet is. De Gaijin hebben als mechanische levensvorm alle tijd om hun plannen te voltooien. De mens daarentegen is hiermee vergeleken een wisselvallige, egoïstische en snel verveelde wandelende vleeszak. Twee weken nadat de Gaijin voor het eerst ontdekt worden in die afgelegen asteroïdengordel is de nieuwigheid er al weer af en gaat de collectieve aandacht weer terug naar de eigen (kleine) issues. Slechts een paar mensen durven vooruit te denken en elke stap die zij willen ondernemen om meer informatie te vergaren wordt langs allerlei kanten moeilijk gemaakt.
Wanneer we tientallen en zelfs honderden jaren vooruit springen gaat het alleen maar bergafwaarts met de mens. De samenleving raakt gedestabiliseerd en echt veel hoop op een goede afloop lijkt er niet te zijn. Ondertussen zijn diezelfde Gaijin nog steeds aanwezig, observerend, in stilte hun onderzoeken aan het uitvoeren, passieve observant terwijl de aardbewoners zichzelf de ellende in werken. En op de paar plaatsen waar we koloniën gesticht hebben blijkt dat de leefsituatie niet voor de lange termijn haalbaar is. De mens probeert zich wanhopig staande te houden in een universum dat weinig houvast biedt en elk klein stapje vooruit dat we maken is vermoedelijk irrelevant, want ons voortbestaan wordt hoe dan ook bedreigd door kolonisten die systeem na systeem vernietigend bij ons in de buurt komen. Als we voor die tijd niet door onze eigen kortzichtigheid uitgeroeid zijn, tenminste. Licht deprimerend is het allemaal wel, maar tegelijk ook waanzinnig knap in elkaar stekend.
Stephen Baxter weet duidelijk waar hij over schrijft. De samenstelling van het maanoppervlak, mogelijke atmosferische condities waarin mensachtigen kunnen bestaan, manieren van ruimteschip propulsie… het geeft Space allemaal nog een extra boost awesomeheid, en deze vrij realistisch aanvoelende toevoegingen maken het méér dan alleen maar een boekje over aliens. Of hij nu het landschap van Mercurius beschrijft of de heftige botsing tussen een komeet en de grootste ijsmaan rond Neptunus, nergens voelt het over the top of té fantasierijk, wat verhalen met dezelfde thema’s en concepten vaak wel hebben. Vooruit, tegen het eind gebeuren er wat wildere dingen, maar het voelt alsnog een logische voortzetting van wat er daarvoor kwam.
Space is episch, complex, meeslepend en beangstigend tegelijk. Een van de meest interessante maar ook tragische toekomstvisies die deze jongen onder ogen kreeg. Als we in de nabije toekomst een signaal uit de ruimte opvangen die wijst op intelligent leven, dan weet ik in ieder geval wat me te doen staat; angstig onder mijn bed kruipen en er niet meer onderuit komen. Heb ik tenminste genoeg tijd om Space nóg een keer te lezen.










