1

The Nomi Song (2004)

Beschikt je brein over een ingebouwd 3D-model van een D-20 dice en weet je dus klakkeloos de vraag te beantwoorden welk getal er zich op welk vlak bevind? Dan schaar je je tot het illustere gezelschap dat ‘onze lezers’ heet. Ben je verzot op toverdrankjes en op het meppen van Italianen, dan behoor je tot de inwoners van een klein kranig dorpje in Frankrijk. En kick je erop om het podium op te gaan, gehuld in niets anders dan aluminiumfolie, een regenponcho en met een hypnotiserende paraplu, dan woon je in New York en ben je lid van het kleine gilde performance artists dat de wereld rijk is (althans, tot de rechtse vingerlikkers er met hun tengels aanzitten). En ja, elk van bovengenoemde kan in de *kuch* gezonde Oh-Oh-Chersoa-goegemeente als ‘freaks’ worden aangeduid.

Freaks.

Maar wat voor freaks! Neem Klaus Nomi, van wie ondergetekende onlangs uit even eigenwijze, dwarse pootjes een biografische docu-dvd mocht ontvangen. Wie zeg je? Klaus Sperber, geboren in de Beierse Alpen, en één van de meeste zonderlinge figuren uit de New Yorkse avant-gardistische hoek. Hij droomt van een carrière als zanger vanaf het moment dat zijn ouders hem die vervloekte Elvis Presley platen afpakken en hem dwingen naar échte muziek (ehm.. Maria Callas schijnbaar) te luisteren.  De opera-wereld komt hij niet binnen en in de hoop op een nieuw leven trekt hij naar freakville numero uno, waar de meeste dwarse excentriekelingen rond die tijd wel een onderkomen vinden, New York. Al snel komt hij in aanraking met een lachwekkend slecht experimenteel avant-garde theatergroepje dat met schuimrubberen gitaren op een podium gaat staan en een aantal bandjes de revue laat passeren in hun show. Maar de enige die de zaal op het puntje van zijn stoel krijgt en ademloos weet te dwingen te luisteren, is een tengere, overgeschminkt figuur. Een androgyn . Maar niet in de Bowie-esque zin (lees: is het een vent of een mokkel?). Nee. Eerder als, is dit nou een man of één van de Kraftwerk roboter die solo is gegaan? De excentrieke Klaus Nomi, met zijn zonderlinge mix van opera en new wave pop, dwingt respect af met zijn overrompelende stem.

I’m an alien in New York

Al snel spreekt heel New York over dat bizarre, semi-buitenaardse opera-wezen. En die bovendien hippe muziek met klassieke muziek succesvol vermengt. De voorloper van pakweg Antony & the Johnsons of Boo! drie decennia later. Klaus Nomi, die met zijn bizarre kostuums zo uit de set van Fritz Lang’s Metropolis lijkt te zijn weggelopen, schept zijn eigen wereld op het podium. Nomi-wereld. Vol Nomi-songs. De cultscene kan er geen genoeg van krijgen, en nog voordat hij een album met zijn huidige band kan opnemen, wordt hij opgepikt en vakkundig uitgebuit door het grote RCA-label, die hem als eerste zijn band laten dumpen en sessiemuzikanten inschakelt. Als eindelijk zijn grote doorbraak lonkt, valt het doek echter tragisch voor opera Nomi op passende wijze.

Close encounters of the Nomi kind

De documentaire volgt Nomi vanaf het prille begin tot het bittere eind. Korrelige, ruizige amateurvideo-opnames van de allereerste optredens worden op prettige wijze afgewisseld met de meer professionele beelden uit een latere episode. De hele documentaire blijft interessant, zelfs voor iemand die totaal niets van Nomi weet. De sympathieke Duitser die zijn eerste schreden in New York zet, de performance artists die hem aanvankelijk op een voetstuk plaatsen maar verketteren zodra Nomi écht kiest voor een carrière waar ze toch allemaal van dromen, en de ontheemding van de mens Nomi alsof hij soms een buitenaardse paria was, het maakt de robot Nomi allemaal heel menselijk, en de opkomst en ondergang van de eigenaardige popera-zanger een boeiend relaas, verteld door de kleine schare mede-freaks die alles met hem meemaakten. En dat is best knap, want waar doorgaans documentaires van een pop-icoon doorspeend raken van Krabbé-isten, bekende koppen die ook wel wat over het onderwerp van gesprek te melden hebben, zien we eigenlijk geen bekende namen. Het beeld over Nomi wordt hoofdzakelijk geschetst door bevriende schilders, gedumpte bandleden, gefrustreerde liedjesschrijvers, ex-managers en een oude tante uit Essen, waardoor zowel Nomi’s sterke en zwakke kanten overtuigend in beeld worden gebracht en de documentaire zich niet slechts beperkt tot een wanstaltig promotioneel verhaal. David Bowie is de bekendste naam, maar ook zijn bijdrage reikt niet verder dan archiefbeelden van die ene tv-opname waar Nomi even een deksel op zijn eigen talent mag doen om éénmalig vlakjes back-up te mogen zingen voor de thin white duke.

ET (Extra Troep)

Ook leuk is dat de dvd verder boordevol extras staat. Zoals fanmail aan de fanclub van Nomi. Ongelooflijk ook hoe iemand die destijds kennelijk op een hoop mensen zó’n indruk wist te maken haast uit de annalen van de popmuziek lijkt te zijn gekieperd. Want laten we wel wezen, zeg je New York in de jaren zeventig, dan denk je eerder onmiddellijk aan Velvet Underground, Andy Warhol, Television of the Ramones, maar Nomi? Niet meteen nee. Nomi is dan ook niet voor niets een buitenaardse freak. Een Nomi-planeet met één inwoner. Maar dan wel een heel fascinerende.

avatar geschreven door op 1 december 2010

Een reactie op “The Nomi Song (2004)”

  1. avatar Grafherrie schreef:

    Zo dan, wat een stem heeft die vent! : ) De hele vertoning doet me een beetje denken aan de gekte die er destijds heerste rond Gary Numan en zijn numanoid-leger (= fans)

Reageer

Anti-Spam vraag :